Arctodus



dieet: carnivoor
grootte: 1,7 meter hoog bij de schouder.
gewicht: ongeveer 700 kilo
tijd: Pleistoceen
locatie: Noord-Amerika



Een enorme beer, aangepast aan een vleesetend bestaan.
Beren zijn omnivoren, maar grotendeels planteneters, van de hedendaagse beren is alleen de ijsbeer vleesetend. Een verre verwant van de beren, de reuzenpanda is geheel vegetarisch. Tijdens de ijstijd was het te koud voor veel planten, de enige vegetatie die het in de permafrostbodem uithield was gras en naaldbomen. Alleen de meest doorgewinterde planteneters met enorm lange darmen, zoals de mammoet en de neushoorn, konden die vegetatie verteren. Voor alleseters, met een halflange darm was gras en naalden te taai. Zij waren gedwongen zich toe te leggen op vlees. Dat is een aantal keren voorgekomen tijdens de laatste ijstijd, zo ook bij bijvoorbeeld de Neanderthaler. Apen en aapmensen aten van oorsprong zowel vlees als vegetatie, maar tijdens de ijstijd was er geen licht verteerbaar fruit en wortels te vinden en dus moesten Neanderthalers het altijd licht verteerbare vlees gaan eten.
Zo was het ook bij de Arctodus simus, ook bekend als de Shortfaced Bear. Deze beer had zijn traditionele dieet van fruit en knollen afgezworen en had zich toegelegd op het jagen. Beren hebben niet bepaald de ideale lichaamsbouw om te jagen, ze lopen op hun zolen en zijn erg zwaar gebouwd. Ze zijn gebouwd op kracht, niet op snelheid. Wellenswaar kunnen beren harder rennen dan mensen, dat is nog niet snel genoeg om prooien in te halen. De Shortfaced Bear loste dit probleem enigsinds op door zijn poten langer te maken om beter te kunnen rennen. Doordat hij geen planten meer at kon zijn darmkanaal zich wat verkorten zodat hij een lichter gebouwd lijf kreeg. Het probleem van het lopen op de voetzolen was niet opgelost, maar kracht kon ook van nut zijn bij het jagen, zij het niet zodanig als snelheid. Aaseten deed hij uitaard ook, in de teerputten van Rancho La Brea zijn ook veel Shortfaced Bearfossielen gevonden. Misschien dat aaseten een belangrijker middel van zijn bestaan is geweest dan bij andere roofdieren, maar zijn lange poten en andere aanpassingen om hard te lopen geven toch aan dat hij in staat was te jagen. Met zijn omvang en kracht was hij uiteraard ook zeer geschikt om andere rovers, wolven en sabeltandkatten, bij hun prooi te verjagen, wat hem een effectieve aaseter zou hebben gemaakt.

© J.Kielen