Doedicurus



betekenis: "Stampende Staart"
dieet: herbivoor
grootte: 4 meter lang en 1,5 meter hoog
gewicht: ongeveer 1 ton
tijd: Pleistoceen
locatie: Zuid- Amerika



Deze indrukwekkende, gepantserde en bewapende verschijning is een verwant van het gordeldier...
Tijdens de ijstijd was Zuid-Amerika bedekt met uitgestrekte graslanden. Kortgeleden was door een dalende zeespiegel de landbrug met Noord-Amerika herstelt en na 120 miljoen jaar te zijn geïsoleerd van de rest van de wereld maakte Zuid-Amerika weer contact met de andere continenten. Doordat het zo lang geïsoleerd was geweest hadden zich in Zuid-Amerika unieke dieren ontwikkeld. Eén van de vreemdste was wel de gepantserde Doedicurus.
Dit dier had het formaat van een auto, hij bracht zijn dagen door met traag over de vlaktes struinen en voedde zich met het taaie pampagras. Door zijn formaat en zijn panster was een volwassen Doedicurus volkomen onkwetsbaar. De knots aan de staart was natuurlijk een machtig wapen tegen roofdieren, maar het werd ook gebruikt door de mannetjes als ze vochten om de wijfjes. Dat weten we omdat er in sommige schilden forse deuken zitten die veroorzaakt waren door de stekels aan de knots van de tegenstander. Sommige paleontologen denken dat, aangezien Doedicurus ook zonder knots onkwestbaar was, deze alleen maar voor gevechten voor paarrechten werden gebruikt en dus alleen de mannetjes zo'n knots hadden, of alleen zij er punten aan hadden.
Doedicurus behoorde tot de familie der Glyptodonten, verwanten van de luiaards en de gordeldieren. Deze dieren vertoonden allemaal een opmerkelijke overeenkomst met de Ankylosauriërs. Men zegt wel eens: "De Ankylosauriërs en Glyptodonten zijn een mooi voorbeeld van hoe de natuur goede ideeën hergebruikt". Glyptodonten hadden allemaal een staartknots, maar die van de Doedicurus was de spectaculairste met zijn stekels.

©J.Kielen, based on an image by Joe Tucciarone

Toen aan de isolatie van Zuid-Amerika een eind kwam trokken de dieren uit het noorden de nieuwe wereld binnen, en ook omgekeert verspreiden de inheemse zuidelijke dieren zich richting het noorden. Zodoende hebben er wellicht ook in Midden-Amerika Glyptodonten rondgelopen.
Doedicurus leefde tot ongeveer 15.000 duizend jaar geleden, in oude indianen legendes komen nog doedicurii voor, hoewel die ook afkomstig kunnen zijn van de lege schilden die achterbleven nadat een dier gestorven was. Er wordt zelfs gedacht dat de prehistorische indianen de lege schilden als huis gebruikten.